Hoogbegaafdheid

Ieder kind is uniek en heeft talent, dat is een ding dat zeker is. Maar wat als je kind een ontwikkelingsvoorsprong heeft? Hoogbegaafd is? Of een nog verborgen ongekend talent heeft en zich al van jongs af aan anders voelt en denkt? Tijd om het concept hoogbegaafdheid en bijbehorende begaafde kenmerken en ontwikkeling onder de loep te nemen. Want het hebben van een hoog ontwikkelingspotentieel, is zoveel meer dan het hebben van een hoog IQ of cognitieve ontwikkelingsvoorsprong.

Meer dan intelligentie 

Hoogbegaafd, hoogbegaafdheid… Laten we eerlijk zijn, het is niet de meest gelukkig gekozen term of vertaling. Ja, het is een gave. Een cadeau. Het is het hebben van een schat aan ongekende talenten. Maar is het een garantie voor een fijne schooltijd, levensgeluk of stralende cijfers? Niet als je ongekende talent ongezien blijft.

Het concept hoogbegaafdheid bestaat zonder enige twijfel, maar als je kinderen en jongeren labelt als ‘hoogbegaafd’ kan het leiden tot misverstanden. Want nog steeds leeft het beperkende idee dat als iemand een IQ van 130 of meer heeft je zonder meer hoogbegaafd bent. En als je niet die magische grens hebt bereikt… tja, dan ben je niet hoogbegaafd toch? Gelukkig zijn wetenschappers, ouders en andere professionals die werken in het domein van hoogbegaafdheid het er over eens dat hoogbegaafdheid uit veel meer aspecten bestaat en meer is dan intelligentie of je cognitieve ontwikkeling alleen. Immers, het geheel, dus jíj, bent meer dan de som der delen.

Stukje theorie voor de liefhebber. Laten we beginnen met het stellen dat als je hoogbegaafd bent, je ook hoogintelligent bent ofwel bovengemiddelde intellectuele capaciteiten hebt. Maar als je hoogintelligent bent, ben je niet per definitie ook hoogbegaafd. Hier komen echt andere aspecten bij.

In het model van Renzulli zie je dat naast het hebben van bovengemiddelde intelligentie ook een hoge mate van creativiteit, taakgerichtheid (bij interesse) en de interactie tussen deze drie componenten nodig is, als het gaat over hoogbegaafdheid en om tot hoogbegaafd gedrag te komen. Mönks (1988; 1992) breidde Renzulli’s model uit met de omgevingsfactoren gezin, school en peers, later bekend als het Multifactor Model of Giftedness (Mönks & Katzko, 2005). Hiermee wordt duidelijk dat hoogbegaafd gedrag tot ontwikkeling komt door een positieve wisselwerking tussen de persoonlijkheidskenmerken en een begrijpende en ondersteunende sociale omgeving (De Boer, 2013).

  

Met de kennis van vandaag de dag weten we dat er, naast cognitieve, meer kenmerkende aspecten zijn bij hoogbegaafdheid; denk aan de zijnskenmerken (Kieboom, 2015) als: perfectionisme, hoog rechtvaardigheidsgevoel, hooggevoeligheid of intensiteiten en een kritische instelling.

Een fijn en meer bruikbaar model om hoogbegaafdheid en samenhangende kenmerken te tonen is het Delphi model.

“Een hoogbegaafde is een snelle en slimme denker die complexe zaken aan kan. Autonoom, nieuwsgierig en gedreven van aard. Een sensitief en emotioneel mens, intens levend. Hij of zij schept plezier in creëren.”

Toch zou je, om de blik op hoogbegaafdheid nog meer te verruimen, daar ook asynchrone ontwikkeling (Columbus Group, 1991) aan toe kunnen voegen. Aangezien dit uit de pas lopen in de verschillende ontwikkelingsdomeinen (cognitief, emotioneel, sociaal en motorisch) ten opzichte van de rest, van jongs af aan al prominent aanwezig is bij zoveel hoogbegaafde kinderen. Hierdoor wordt dit fenomeen door veel professionals als een bepalend kenmerk van hoogbegaafdheid gezien.

Begaafdheid is asynchrone ontwikkeling waarin geavanceerde cognitieve vaardigheden en verhoogde intensiteit worden gecombineerd om innerlijke ervaringen en bewustzijn te creëren die kwalitatief afwijken van de norm. Deze asynchronie neemt toe met een hogere intellectuele capaciteit. Het unieke van hoogbegaafden maakt ze bijzonder kwetsbaar en vereist aanpassingen in opvoeding, onderwijs en begeleiding zodat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Asynchroniteit bij hoogbegaafden is niet alleen ingeburgerd geraakt in literatuur en psychologische theorieën of concreet waarneembaar in gedragingen, maar ook zichtbaar in hersenonderzoek.

Normaal om anders te zijn

Asynchrone ontwikkeling en gedrag zijn sterk verbonden met asynchrone hersenontwikkeling. Hoogbegaafde kinderen hebben, in vergelijk met leeftijdgenoten, vaak een asynchrone hersenontwikkeling (Shaw et al., 2006) waarbij sommige gebieden in de hersenen zich sneller ontwikkelen dan andere, terwijl andere hersengebieden zich langzamer ontwikkelen als gevolg van genetica, epigenetica, omgevingsinteractie, onderwijs en opvoeding (Tetreault, 2020, p. 38).

Veel hoogbegaafde kinderen geven aan dat ze zich ‘anders’ voelen dan hun neurotypische leeftijdsgenoten (Rinn & Majority, 2018; Fonseca, 2015; Bernhardt & Singer, 2012). Ook neuro- wetenschappelijk onderzoek, via MRI/fMRI, wijst uit dat het hoogbegaafde brein significant anders ís qua morfologie, functionaliteit, structuur, interne netwerken en verwerkingssnelheid (Tetreault & Zakreski, 2020).

Dit heeft gevolgen voor de sensorische verwerking, het sociale functioneren, de emotieregulatie, de geheugenfuncties, verwerkingssnelheid en intellectuele betrokkenheid (Sandrone et al., 2014; Sousa, 2009; Rinn et al., 2018).

Deze verschillen maken je niet beter of slechter, maar duiden dat het normaal is, ook voor (hoog)begaafden, om je anders te voelen en te denken. Het moge duidelijk zijn dat het gevoel van ‘anders zijn’ wordt versterkt als een ‘mismatch met de omgeving’ niet gezien wordt, onderwijsaanbod of wijze niet aansluit bij de cognitieve capaciteiten, de manier van denken en de emotionele diepte (intensiteiten) van het kind maar ook als er gelijkgestemden (peers) ontbreken.

Stress, spanning en prestatiedruk

Onze wereld, onze maatschappij in getallen en gemiddelden is, tot op vandaag de dag, meer prestatie dan potentieel of ontwikkeling gericht. Ingesteld op het leveren van prestaties, waarbij veel van ons wordt gevraagd. Ook als (hoogbegaafd) kind in ons huidige onderwijssysteem op kalenderleeftijdgebaseerde ‘leerststofjaarsysteem’. Al lijkt dat wel in contradictie met onze wetgeving.

Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

Want de druk die kinderen en jongeren voelen om te presteren en de nadruk die vooral op de cognitieve ontwikkeling lijkt te liggen, maakt alsnog dat de jeugd onvoldoende tot hun recht komt, hun talenten niet ontwikkelen en/of hun leerpotentieel onbenut blijft. Het kan onnodig resulteren in afstromen, zittenblijven, schoolverzuim, thuiszitten en voortijdig school verlaten. Maar veel erger: vooral het welbevinden en gevoel van veiligheid van een kind komt in gedrang en zorgt voor ongezonde (school)stress, spanning, ‘overbelasting’ en/of ingrijpende jeugdervaringen (trauma). En zo geraken we op het snijvlak van onderwijs en zorg.

Snijvlak zorg en onderwijs

Hoewel (hoog)begaafde en hoogsensitive kinderen en jongeren niet per se meer vatbaar zijn voor psychische problemen, ervaren ze toch emotionele en interpersoonlijke uitdagingen als gevolg van hun verhoogde gevoeligheden, overactieve geest en de verschillen met veel van hun leeftijdsgenoten. Het maakt ze wel van nature kwetsbaarder.

Als je langere tijd niet krijgt wat je nodig hebt, niet gezien of gehoord wordt of je krampachtig en onnatuurlijk aanpast (fawning) aan de omgeving, om maar aansluiting te vinden met je omgeving, kan je spreekwoordelijke emmer overlopen. Gaat je lichaam in overlevingsstand mentaal of fysiek. Denk aan de Polyvagaal theorie met reacties als: fight, flight, freeze, fawn en flop (Porges, 1994). Vooral fawning: het pleasen, het stelselmatig over de eigen grenzen gaan, jezelf wegcijferen, het blijven behagen en zelf vervagen in identiteit is een hoogbegaafde niet onbekend en gaat vaak gepaard met angsten en andere intense emoties. Niet dikwijls gaat het ten koste van een (belangrijk) deel van de eigen ontwikkeling, vaardigheden en persoonlijke kenmerken. Het kan tevens een voedingsbodem zijn voor depressieve klachten, chronische vermoeidheid, angst- en paniekklachten, onverklaarbare (psychosomatische) klachten en geeft niet alleen een negatief zelfbeeld of zelfkritiek. Maar kan ook leiden tot ‘een vlucht’ in heftigere reacties als zelfhaat en zelfbeschadigend gedrag als automutileren, tatoeëren, piercings, snijden en krabben (Cross, 2007) maar ook eetstoornissen worden beschouwd als vormen van zelfverwonding (Bauman, 2008; Levenkron, 1998). Onvoldoende kennis over hoogbegaafdheid en onjuist of inadequaat inspelen op behoeften leidt ook nu nog tot misdiagnoses en niet passende hulp in opvoeding, zorg en onderwijs.

Ik ben mijn eigen label

Hoogbegaafdheid is een complex concept, er bestaat geen eenduidige definitie en vanwege de grote diversiteit binnen de groep kunnen we niet spreken van dé hoogbegaafde. Daarom spreken we liever van kinderen en jongeren met een hoog ontwikkelingspotentieel of leerlingen met begaafde kenmerken. Immers, je bent je eigen label. Het gaat om de behoefte van deze kinderen en jongeren en het zoeken van passende aansluiting bij hun ontwikkeling en mogelijkheden. Hierbij is brede kijk nodig. Verruim je blik en het niet laten verblinden door stempels of labels, maar zíen en bieden wat nodig is. In ontwikkeling, opvoeding, onderwijs en zorg. Door achter het gedrag te kijken, zien we pas de behoefte en kunnen we ongekende talenten en vaardigheden aanspreken en een kind laten floreren.

Ze zien alleen Sophie met dyslexie en niet Sophie.

Sophie 8 jaar

Talenten.club praktijk voor ongekend talent denkt en werkt ontwikkelingsgericht. We hebben oog voor het kind in zijn of haar geheel, we kijken voorbij labels om de daadwerkelijke behoefte te zien. Elk kind heeft talent. Soms verborgen en ongekend. Bij alle ongekende talenten gaan we voor: geen remming, maar afstemming. Samen zoeken we naar outside the box oplossingen die aansluiten bij jou en maken we van Geluk een Gewoonte.

Zoals Doozy (spreek uit: do see) de uitzonderlijke club mascotte wenst: Kom er maar uit.